Beelddenken op school

Veel beelddenkers zijn in staat om ook een beroep te doen op hun linkerhersenhelft en kunnen schakelen tussen taaldenken en visueel denken. Om die reden hoeft een beelddenker helemaal niet tegen problemen op school aan te lopen. In dat geval is zijn taaldenken ook goed ontwikkeld en bezit hij het vermogen om beide leersystemen in te zetten.
Mocht een beelddenker niet kunnen schakelen, dan kunnen de volgende leerproblemen zich voordoen.

Basisschool:

Spelling
Het automatiseren van de letters is lastig voor een beelddenker. Veel letters worden omgedraaid: d-b. Er wordt geen verband gezien tussen de klanken en de letters, aangezien de beelddenkers geen woordbeelden onthouden. Lettertekens zeggen niets totdat er een beeld bij hoort.
De locatie van de letters in een woord wordt niet goed onthouden: beelddenkers gaan voor de inhoud en niet voor de vorm.

Lezen
Veel beelddenkers vinden het moeilijk om de koppeling tussen teken en klank te automatiseren. Vaak gaan deze leerlingen dan raden wat er staat op grond van hun vermogen om beelden te vormen van de gelezen stof. Op die manier kunnen ze de context goed begrijpen. De grote lijnen zijn duidelijk, maar de details niet. Dit heeft te maken met een zwakke woordenschat of met het ‘geen beeld kunnen krijgen van het woord’.
Bij het technisch lezen kan zich een aantal problemen voordoen. Enerzijds kan een leerling te langzaam lezen, aangezien hij de woorden blijft spellen of anderzijds kan een kind wel vlot lezen, maar met teveel fouten. Dus een probleem in de snelheid of in de nauwkeurigheid.
Elk van beide leesproblemen vereist een andere aanpak.

Rekenen
Ook bij rekenen is de klank- tekenkoppeling een probleem. Deze leerlingen hebben geen beeld van de hoeveelheden en de getallen. Ook hier worden veel cijfers omgedraaid.
Het automatiseren van de tafels en sommetjes onder de 20 is een lastig proces. Beelddenkers bedenken hun eigen rekenstrategieën en komen daar een eind mee. Met het oog op het voortgezet onderwijs is het echter van belang dat er een goede controle plaatsvindt van de automatisering van de tafels/sommetjes.

Voortgezet onderwijs

Automatiseren van kennis
Ook op het voortgezet onderwijs is het voor beelddenkers hard werken door het talige aspect van het onderwijs.
Er wordt in de onderbouw van het VO een groot beroep gedaan op het automatiseren van kennis: rijtjes, woordjes, begrippen etc. Ook het leren van definities is een lastige opgave voor beelddenkers, aangezien ze met ‘ moeilijke woorden’ iets moeten omschrijven wat ze allang als beeld gezien hebben. Er is een constante wrijving tussen het talige reproduceren en het beeldende ‘weten’. ‘
In de bovenbouw van het VO zijn de beelddenkers beter op hun plek. ‘Inzicht hebben’ speelt dan een grotere rol dan het kunnen reproduceren.

Tekstbegrip
Het lezen van teksten is voor beelddenkers een groot probleem. Vooral het begrijpen van de tekst kost moeite. Voor veel beelddenkers is lezen een inspanning en geen ontspanning. Hierdoor neemt de motivatie voor het lezen vaak af, waardoor er de bekende vicieuze cirkel ontstaat. Door te weinig lezen, ontstaat er een leesachterstand en dit heeft een negatieve invloed op tekstverklaren en samenvattingen maken. Een zwak tekstbegrip en een beperkte woordenschat kunnen ook voor problemen zorgen bij de zaakvakken als aardrijkskunde, biologie en geschiedenis.

Exacte vakken
De exacte vakken, zoals wiskunde, natuurkunde en scheikunde, zijn de laatste paar jaar veel taliger geworden. De leerlingen krijgen veel sommen voorgeschoteld die in verhaalvorm zijn gegoten. Probeer dan maar eens precies te achterhalen wat de feiten en basisgegevens zijn van waaruit de som moet worden opgelost.
Daarnaast is er veel minder aandacht voor het cijferen ontstaan en wordt er meer belang gehecht aan de oplossingsmethoden. Hoe ben je tot je antwoord gekomen? Het proces is ook belangrijk; het opschrijven van de tussenstappen. Dit is precies wat een beelddenker lastig vindt: hoe verwoord ik het beeld (antwoord) dat ik mijn hoofd heb?

Werktempo en concentratie
Veel beelddenkers hebben een lager concentratieniveau en werktempo dan taaldenkers. Dit kan verschillende oorzaken hebben:

  • Beelddenkers zijn erg gevoelig voor prikkels van buitenaf; concentreren is dan lastig. Ze gebruiken veel zintuigen en ‘voelen’ ook de sfeer in de klas.
  • Beelddenkers laten hun fantasie op de stof los en gaan associëren: ze horen de docent niet meer en zijn de rode draad van een verhaal kwijt. Of tijdens een toets dwalen ze in gedachten af.
  • Het omzetten van taal naar beelden en dan weer naar taal, kost tijd. Een beelddenker leest de (talige) opdracht, probeert er een beeld bij te krijgen. Vervolgens ‘ziet’ hij de oplossing, maar dan moet hij dit beeld weer op schrift krijgen.
  • Veel beelddenkers zijn auditief zwak en missen daardoor de essentie van de uitleg van de docent.

Bron: M.v.d.Coolwijk, Beelddenken, visueel leren en werken; een praktisch naslagwerk voor jeugd en volwassen over ons visuele leer- en denksysteem, 2012